Chocolade

De eerste chocoladedrank

In Europa was cacao vroeger onbekend. Rond het jaar 1500 begonnen ontdekkingsreizigers de wereld te verkennen. Columbus ontdekte Amerika. Na hem voeren ook andere Spanjaarden naar die onbekende wereld. Één van hen was Cortez, die met zijn troepen in 1519 in Mexico terecht kwam. Daar ontmoette hij het indianenvolk de Azteken. Aan het hof van keizer Montezuma werd hij gastvrij ontvangen. Zij gaven hem een drankje te drinken dat hij in Europa nog nooit geproefd had. Het was de cacaodrank. De indianen noemden het chocoladedrankje 'Cacauatl'. Uit het woord Cacauatl is ons woord cacao ontstaan. Cortez vond het drankje een beetje bitter maar wel lekker smaken. Hij lette dus goed op hoe ze het klaarmaakten. De indianen maakten het drankje door cacaobonen te roosteren boven een vuurtje. Daarna maalden ze de bonen met de hand tot een dikke pap. Die pap verdunden ze met water. Voor de smaak roerden ze er maïsboter, peper en vanille door. Dat was het chocoladedrankje! De cacaobonen waren erg kostbaar. Ze werden ook als geld gebruikt. Een konijn kostte 10 bonen en een slaaf was voor 100 cacaobonen te koop. Cortez nam de cacaobonen mee voor de koning van Spanje en liet hem het nieuwe drankje proeven. De koning vond het drankje te bitter. De kok gebruikte toen suiker of honing in plaats van peper. Dat was een groot succes! De koning vond het drankje zo lekker dat hij het recept geheim liet houden. Het duurde wel 100 jaar voordat andere Europese landen de lekkernij leerden kennen. In het begin konden alleen de voorname en rijke mensen deze nieuwe drank drinken want het was erg duur. Het chocoladedrankje kwam erg in de mode bij de rijke mensen. In de grote havensteden ontstonden chocoladehuizen. Mensen ontmoette elkaar daar om te praten en chocolade te drinken. De Nederlanders gingen handel drijven over de hele wereld. Ook zij brachten cacaobonen mee naar Nederland. Kort voor 1700 ontstonden de eerste chocoladefabriekjes in Nederland, vooral in Zeeland. Amsterdam werd één van de grootste wereldhavens voor cacao en dat is nu nog steeds zo. In de chocoladefabriek moesten alle machines met de hand bediend worden. De molens om de bonen te breken en te malen werden aangedreven door sterke mannen of ezels. Later werden windmolens gebruikt om de maalmachines te laten draaien. Er waren minder mensen nodig voor het maken van cacao. Daardoor werd cacao goedkoper en konden ook de gewone mensen cacao betalen. Er werd steeds meer cacao gebruikt en er waren dus ook meer fabrieken nodig. Aan het begin van de 19e eeuw waren er wel 27 cacaofabrieken in Nederland.


De cacaoboom

Je hebt nu al een beetje gelezen over chocola en cacao. Maar waar komt cacao nu eigenlijk vandaan? Cacao komt van de cacaoboom. De cacaoboom is een kwetsbare boom. Hij houdt van vocht en warmte maar kan niet tegen wind en de brandende zon. Hij moet goed beschermd worden tegen ziektes en ongedierte. De eerste vier of vijf jaar wordt het boompje extra goed beschermd. De boompjes worden aan de voet van een grote boom geplaatst, bijvoorbeeld de bananenboom. Zo staat het boompje in de schaduw en heeft het geen last van de zon. In de vrije natuur kan de cacaoboom wel 15 meter hoog worden. Op de plantages worden de bomen gesnoeid. Ze blijven dan ongeveer 4 meter hoog. Dat is veel handiger bij het plukken van de vruchten. De stam van de cacaoboom heeft 1 meter van de grond enkele grote takken en daarboven de bladerkroon. Na 3 of 4 jaar krijgt de boom bloemen op de stam en op de grote takken. De cacaoboom bloeit het hele jaar door en krijgt kleine witte of roze reukloze bloempjes. Van al die bloempjes worden er maar 20 tot 30 een vrucht. De vruchten hangen met een korte steel direct aan de stam. De gele vruchten hebben de vorm van een rugbybal en zijn zo'n 20 centimeter lang. In iedere vrucht zitten 30 tot 40 zaden. Het gaat uiteindelijk om die zaden want dat zijn nou de cacaobonen!


De oogst van cacaobonen

De vruchten van de cacaoboon worden twee keer per jaar geoogst. Met een kapmes worden de vruchten losgesneden van de takken. Daarna worden de vruchten voorzichtig opengesneden om de bonen niet te beschadigen. Elke vrucht bevat zo'n 30 tot 40 zaden die een beetje paars van kleur zijn. De zaden liggen middenin de witte pulp. Met de hand worden de zaden eruit gehaald. Ze worden in houten bakken gelegd of op de grond en afgedekt met bananenbladeren of jute zakken. In de daarop volgende dagen wordt het heel warm onder de bladeren. Door de hitte gaan de bonen gisten. De bonen worden nu donkerbruin en krijgen een cacaosmaak. De boon kan nu ook niet meer ontkiemen. Dat betekent dat de boon niet meer uit kan groeien tot een nieuwe boom. Dit proces heet met een moeilijk woord fermenteren. Het fermenteren duurt ongeveer 5 dagen. Daarna worden de bonen gedroogd in de zon. Na het drogen worden de bonen verpakt in jute zakken van 70 kilo.


Waar groeit de cacaoboon?

De cacaoboom groeit vooral in landen met een tropisch klimaat. Dat zijn vooral landen rond de evenaar. Maar ook daar groeit de boom niet overal. De bodem en het klimaat moeten geschikt zijn. De bodem moet vrij los zijn en het klimaat vochtig. Hier is het lekker warm en vochtig. De temperatuur moet tussen de 20 en 35 graden liggen. Op bergen boven de 600 meter kan de cacaoboom ook niet meer groeien. Ruim de helft van de wereldoogst komt uit West-Afrika. De belangrijkste cacaolanden daar zijn de Ivoorkust, Nigeria, Ghana en Kameroen. In Zuid-Amerika is Brazilië de grootste leverancier van cacao. Daarna komt Equador. In Azië wordt het kweken van cacao steeds belangrijker, vooral in Maleisië. Vanuit al deze gebieden wordt de cacao per schip naar Europa gebracht.